Verzoekers, een echtpaar dat ruim 25 jaar een onderneming dreef, verzochten om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege problematische schulden van €431.680,96, ontstaan onder meer door de coronacrisis en gezondheidsproblemen. Na een mislukt minnelijk traject en bezwaar van schuldeiser [X], die stelde dat schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, heeft de rechtbank het verzoek toegewezen.
De rechtbank oordeelde dat de vermeende verschillen in schuldenlijsten en het niet aflossen van een lening onvoldoende bewijs leverden voor kwader trouw. Ook het geschil over de gehuurde bedrijfsruimte en de mogelijke curatorvordering in verband met een faillissement stonden de toelating niet in de weg. Verzoekers hebben toegelicht dat er geen nieuwe schulden zijn en dat zij gemotiveerd zijn om aan hun verplichtingen te voldoen.
De rechtbank nam mee dat verzoeker momenteel parttime werkt ondanks fysieke beperkingen en bereid is meer te werken en te solliciteren, terwijl verzoekster een AOW-uitkering ontvangt en geen sollicitatieplicht meer heeft. De bewindvoerder is benoemd en de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken met het vervallen van alle gelegde beslagen.