ECLI:NL:RBDHA:2022:5306
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van beroepsgronden bij afwijzing verblijfsvergunning
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de beoordeling blijkt dat het beroepschrift geen gronden bevatte, waardoor de rechtbank eiseres heeft verzocht alsnog binnen een gestelde termijn gronden in te dienen. Op deze verzoeken is geen reactie ontvangen.
Daarom is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 Awb Pro, omdat het ontbreken van gronden betekent dat het beroep niet inhoudelijk kan worden behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gepubliceerd en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid van verzet binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.