ECLI:NL:RBDHA:2022:5307
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk werd verklaard.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting. Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een verzoekschrift de gronden van het verzoek bevatten. Het verzoekschrift van verzoekster bevatte geen gronden, waarna zij in de gelegenheid werd gesteld deze alsnog binnen vier weken in te dienen. Op deze uitnodiging kwam geen reactie.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, waardoor het verzoek niet inhoudelijk werd behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.