ECLI:NL:RBDHA:2022:5309
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij verblijfsvergunning
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin zijn bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk werd verklaard.
Tegelijkertijd heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. Deze heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat het geen gronden bevatte, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro en artikel 8:81 Awb Pro.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk behandeld.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het uitblijven van herstel.