De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding tussen de vader en moeder van een minderjarige over de vaststelling van een contactregeling en het halen en brengen van het kind. De moeder oefent het gezag uit, de vader wenst contact volgens een overeengekomen regeling met wekelijkse bezoeken en overnachtingen. Er was onenigheid over de haal- en brengverplichtingen, wat leidde tot een periode zonder contact.
Tijdens de zitting werd een regeling getroffen waarbij de minderjarige eerst één dagdeel bij de vader verblijft, gevolgd door acht weken elke woensdag tot na het avondeten, en daarna een schema met drie hele woensdagen achtereen en eenmaal per vier weken een weekend met overnachting. De voorzieningenrechter achtte deze regeling in het belang van het kind.
De ouders konden geen overeenstemming bereiken over het halen en brengen. De rechter bepaalde dat de vader het kind bij de moeder ophaalt en de moeder het kind na afloop weer ophaalt bij de vader, waarbij rekening is gehouden met de financiële en praktische omstandigheden van beide ouders.
De vordering tot het opleggen van een dwangsom werd afgewezen omdat partijen het in grote lijnen eens waren geworden. Iedere partij draagt de eigen proceskosten. Het vonnis is direct uitvoerbaar verklaard.