ECLI:NL:RBDHA:2022:5361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
C/09/625565 / KG ZA 22-180
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling contactregeling en haal- en brengregeling voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding tussen de vader en moeder van een minderjarige over de vaststelling van een contactregeling en het halen en brengen van het kind. De moeder oefent het gezag uit, de vader wenst contact volgens een overeengekomen regeling met wekelijkse bezoeken en overnachtingen. Er was onenigheid over de haal- en brengverplichtingen, wat leidde tot een periode zonder contact.

Tijdens de zitting werd een regeling getroffen waarbij de minderjarige eerst één dagdeel bij de vader verblijft, gevolgd door acht weken elke woensdag tot na het avondeten, en daarna een schema met drie hele woensdagen achtereen en eenmaal per vier weken een weekend met overnachting. De voorzieningenrechter achtte deze regeling in het belang van het kind.

De ouders konden geen overeenstemming bereiken over het halen en brengen. De rechter bepaalde dat de vader het kind bij de moeder ophaalt en de moeder het kind na afloop weer ophaalt bij de vader, waarbij rekening is gehouden met de financiële en praktische omstandigheden van beide ouders.

De vordering tot het opleggen van een dwangsom werd afgewezen omdat partijen het in grote lijnen eens waren geworden. Iedere partij draagt de eigen proceskosten. Het vonnis is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: De rechtbank stelt een gefaseerde contactregeling vast en bepaalt dat de vader het kind bij de moeder ophaalt en de moeder het kind na afloop weer ophaalt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/625565 / KG ZA 22-180
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 8 april 2022
in de zaak van
[de vader]te [plaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen:
[de moeder]te [plaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.
Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.
Aanwezig is mr. M. Dam, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.W. Spee, griffier.
Verschenen zijn:
- de vader in persoon, bijgestaan door mr. van Kerkhof voornoemd;
- de moeder in persoon, bijgestaan door mr. Vurdelja voornoemd.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Vaststaat dat partijen samen de ouders zijn van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] (hierna: [de minderjarige]). De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit.
1.2.
De vader stelt zich op het standpunt dat partijen een contactregeling zijn overeengekomen waarbij de vader en [de minderjarige] contact met elkaar zullen hebben:
  • één keer per week (dag in overleg) vanaf 11.00 uur tot na het avondeten;
  • één keer per vier weken inclusief overnachting.
1.3.
De moeder erkent dat [de minderjarige] meerdere malen contact met de vader heeft gehad en dat zij ook een aantal keer bij hem is blijven slapen. Van een strak omlijnde omgangsregeling is volgens haar geen sprake.
1.4.
Tussen partijen is een conflict ontstaan over het halen en brengen van [de minderjarige] in het kader van de contacten tussen de vader en [de minderjarige]. Dit heeft erin geresulteerd dat de vader [de minderjarige] enkele maanden niet heeft gezien. Inmiddels heeft de vader al weer enkele keren contact met [de minderjarige] gehad.
1.5.
De vader vordert in deze procedure in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen om binnen drie dagen na dit vonnis medewerking te verlenen aan de (volgens hem) overeengekomen contactregeling, op straffe van een dwangsom van € 500 voor ieder dagdeel dat zij hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 10.000.
1.6.
De moeder voert verweer en vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn conform het volgende schema:
  • de eerste twee maanden: een dagdeel per week;
  • daarna gedurende twee maanden: een hele dag per week;
  • tot slot een hele dag per week en tevens eenmaal in de vier weken met overnachting,
waarbij de vader [de minderjarige] zal halen en brengen.
1.7.
Partijen zijn ter zitting de volgende regeling overeengekomen. [de minderjarige] zal eerst nog één keer een dagdeel bij de vader verblijven. Vervolgens zal [de minderjarige] gedurende een periode van acht weken iedere woensdag tot na het avondeten bij de vader zijn, waarbij zij om 9:00 richting [plaats 1] vertrekt en om 19:00 uur weer terug is in [plaats 2]. Na afloop van deze periode van acht weken zal [de minderjarige] telkens drie hele woensdagen achtereen bij de vader zijn en vervolgens eenmaal per vier weken gedurende het weekend van zaterdag op zondag inclusief overnachting. Nu de voorzieningenrechter deze regeling in het belang van [de minderjarige] acht, zal zij aldus beslissen.
1.8.
Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over het halen en brengen van [de minderjarige] en zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd hierover een beslissing te nemen. Beide ouders hebben in dit verband – onder meer – gesteld dat zij niet onbeperkt kunnen beschikken over een auto en dat zij ook financieel gezien weinig ruimte hebben om dit te faciliteren. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen de ouders hebben aangevoerd geen reden om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is, te weten dat beide ouders een bijdrage leveren aan het halen en brengen van hun kind. De voorzieningenrechter zal beslissen dat de vader [de minderjarige] in [plaats 2] komt ophalen en dat de moeder [de minderjarige] na afloop van het contact komt ophalen in [plaats 1].
1.9.
Nu partijen het in grote lijnen eens zijn geworden ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom aan deze contactregeling te verbinden. De vordering hiertoe zal worden afgewezen.
1.10.
Omdat partijen samen de ouders zijn van [de minderjarige], zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten in conventie en in reconventie draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
2.1.
bepaalt dat [de minderjarige] met ingang van heden bij de vader zal zijn:
  • nog één keer gedurende een dagdeel;
  • vervolgens gedurende een periode van acht weken: iedere woensdag tot na het avondeten, waarbij [de minderjarige] om 9:00 uur richting [plaats 1] vertrekt en zij om circa 19:00 uur weer terug is in [plaats 2];
  • na afloop van de periode van acht weken: telkens drie hele woensdagen achtereen en vervolgens eenmaal per vier weken een weekend van zaterdag op zondag inclusief overnachting,
waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de moeder in [plaats 2] en de moeder [de minderjarige] weer ophaalt bij de vader in [plaats 1];
2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in conventie en in reconventie;
2.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL
…………………………………. …………………………………
mr. A.W. Spee mr. M. Dam