Eiser werd op 11 juli 2020 staande gehouden vanwege vermoedens van slingerend rijgedrag. De politie stelde processen-verbaal op waarin sprake was van wisselende snelheden en slingerend gedrag, wat leidde tot een besluit van verweerder tot oplegging van een rijvaardigheidsonderzoek en schorsing van het rijbewijs.
Eiser betwistte de juistheid van de processen-verbaal en voerde onder meer onzorgvuldigheid en tegenstrijdigheden aan. De rechtbank stelde vast dat de processen-verbaal op essentiële punten van elkaar en van het meldkamergesprek verschilden, waardoor er objectief bewijs was dat twijfel rechtvaardigde over de juistheid van de verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet zonder meer van de processen-verbaal mocht uitgaan en dat het besluit daarom onrechtmatig was. Gezien de geconstateerde onregelmatigheden herroept de rechtbank het primaire besluit zelf en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.