ECLI:NL:RBDHA:2022:5412
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaren tegen beëindiging bijstandsuitkering niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding
Eiser ontving een bijstandsuitkering die door verweerder per 1 januari 2020 werd beëindigd nadat eiser op niet-overeenkomende momenten op een bekende werkplek was aangetroffen. Eiser maakte namens zich bezwaar via een boekhouder, maar diende de gronden niet tijdig in. Nadat een afspraak met sociaal raadslieden werd verzet, diende eiser alsnog op 9 maart 2020 een bezwaarschrift in, dat echter te laat was.
Verweerder verklaarde het eerste bezwaar niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de gronden en het tweede bezwaar wegens het tweemaal indienen van bezwaar tegen hetzelfde besluit. De rechtbank oordeelde dat verweerder het eerste besluit niet aannemelijk had verzonden, waardoor het beroep tegen dat besluit inhoudelijk werd beoordeeld. De rechtbank stelde dat eiser of zijn gemachtigde binnen de gestelde termijn summiere gronden hadden kunnen indienen en dat het verzetten van de afspraak geen reden was voor uitstel.
De rechtbank bevestigde dat het tweede bezwaar terecht niet-ontvankelijk was vanwege het systeem van de Awb dat tweemaal bezwaar tegen hetzelfde besluit uitsluit en de termijnoverschrijding. Het beroep werd ongegrond verklaard. Daarnaast kende de rechtbank eiser een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank, die geheel voor rekening van de Staat komt. De Staat werd tevens veroordeeld in de proceskosten van €379,50.
Uitkomst: Bezwaren van eiser worden niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding redelijke termijn.