ECLI:NL:RBDHA:2022:5559
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter in kort geding niet-ontvankelijk wegens te late indiening
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die het kort geding behandelde tussen verzoeker en de belanghebbende. De rechter was ook betrokken bij twee bodemprocedures tussen partijen, waarin hij zich had laten verschonen. Verzoeker stelde dat de rechter zich ook in het kort geding had moeten verschonen vanwege mogelijke vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend, aangezien verzoeker pas ruim twee weken na het bekend worden van de omstandigheden het verzoek indiende zonder redelijke verklaring voor de vertraging. Daarnaast werd overwogen dat het verzoek inhoudelijk niet toewijsbaar zou zijn geweest omdat de rechter niet wist dat hij de bodemzaken toegewezen had gekregen ten tijde van het kort geding en zich direct had laten verschonen zodra hij dat wist.
Verder werd geoordeeld dat procedurele beslissingen van de rechter, zoals het niet inzien van het volledige dossier, geen grond voor wraking kunnen vormen. De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de behandeling van het kort geding wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en inhoudelijke ongegrondheid.