Eiser, een onderdaan van de Dominicaanse Republiek met een verblijfsvergunning in Spanje, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit besluit verplicht eiser de Europese Unie, met uitzondering van Spanje, onmiddellijk te verlaten vanwege zijn betrokkenheid bij ernstige drugsdelicten en witwassen, waarvoor hij in 2019 tot acht jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.
Eiser voerde aan dat het besluit ten onrechte als terugkeerbesluit was gekwalificeerd en dat de vereiste overlegprocedure met Spanje niet was gevolgd of niet binnen redelijke termijn was afgerond. De rechtbank oordeelde dat het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod voorafgaand aan overleg met Spanje is toegestaan en dat verweerder de procedure correct heeft gevolgd.
Verder stelde eiser dat het inreisverbod onvoldoende was gemotiveerd, onder meer omdat de strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk was en zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, mede gelet op zijn criminele verleden en voortzetting van activiteiten in detentie.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het inreisverbod terecht is opgelegd, waarbij rekening is gehouden met de persoonlijke situatie van eiser en de beperkte banden met Nederland. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.