ECLI:NL:RBDHA:2022:5686
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing MVV-aanvraag verblijf bij moeder wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven
Eiser, een jongvolwassene uit Suriname, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) om bij zijn moeder in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder, hetgeen vereist is voor bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat hij in Suriname aan zijn lot werd overgelaten en dat zijn moeder en stiefvader hem wel steunden. Ter onderbouwing overhandigde hij verklaringen van familieleden en een politieverklaring. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij voor het vertrek van zijn moeder in 2019 met haar in gezinsverband samenleefde, mede omdat hij volgens het dossier bij zijn vader woonde die tevens voogd was.
De rechtbank vond dat de zorgen van de moeder en het dagelijks contact onvoldoende waren om een beschermenswaardig gezinsleven aan te nemen. Ook ontbraken objectieve stukken die de ernstige psychische problemen van eiser onderbouwden. De rechtbank concludeerde dat verweerder de afwijzing terecht had gedaan en dat er geen hoorplichtschending had plaatsgevonden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag is ongegrond verklaard omdat geen beschermenswaardig gezinsleven is aangetoond.