Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2022 in de zaken tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser,
[kind], v-nummer [nummer] ,
Rechtbank Den Haag
Eisers, een gezin met een minderjarig kind met een autisme spectrum stoornis, zijn in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder geoordeeld dat verweerder verantwoordelijk is voor het invullen van de noodzakelijke jeugdzorg voor het kind tijdens de bewaring. Ondanks klachten en verzoeken van eisers is hieraan onvoldoende invulling gegeven.
De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig is vanwege het niet adequaat bieden van de toegekende jeugdzorg. De onrechtmatigheid ligt niet in de bewaring zelf, maar in het gebrek aan passende zorg. Omdat het voortduren van de bewaring mede het gevolg was van de weigering van eisers om mee te werken aan een PCR-test, wordt de schadevergoeding met 75% gematigd.
De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 9 juni 2022 en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €2.250,- aan eisers. Tevens worden de proceskosten van €1.518,- aan eisers toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de bewaring en kent een gematigde schadevergoeding toe wegens onvoldoende jeugdzorg.