ECLI:NL:RBDHA:2022:5803
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
Eiser, houder van de Poolse nationaliteit, betwistte het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als gemeenschapsonderdaan. De staatssecretaris stelde vast dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, omdat hij geen arbeid verrichtte, niet studeerde, zich niet als werkzoekende had ingeschreven bij het UWV en niet kon aantonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
Eiser voerde aan dat hij een reële kans op arbeid heeft, gezien zijn eerdere betaalde werkzaamheden via een uitzendbureau en zijn huidige werkzaamheden tegen vergoeding voor het opruimen van zwerfafval. Tevens stelde hij dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen, mede vanwege zijn eigen levensonderhoud zonder beroep op publieke middelen en de zorg voor zijn dochter in Polen.
De rechtbank oordeelde dat eiser deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat de staatssecretaris terecht had vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aantonen van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan.