Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is bekend met verschillende lichamelijke beperkingen waaronder astma en beperkte spierkracht. Ook kampt zij met psychische klachten. Eiseres heeft met het oog op gewenste individuele begeleiding bij verschillende activiteiten een melding gedaan bij de gemeente Den Haag. Verweerder heeft de hulpvraag onderzocht en op 28 januari 2019 met eiseres gesproken. Naar aanleiding van dat gesprek heeft verweerder eiseres geadviseerd om geen aanvraag voor individuele begeleiding in te dienen, omdat eiseres voor begeleiding een beroep kan doen op gebruikelijke zorg binnen het gezin. Tegen dat advies in heeft eiseres toch een aanvraag ingediend. Daarbij heeft zij vermeld dat zij tot voor kort wel een pgb voor 16 uren individuele begeleiding kreeg. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, met als motivering dat gebruikelijke zorg aanwezig is. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1. Om in aanmerking te komen voor ondersteuning moet in ieder geval tijdens het onderzoek zijn vastgesteld dat de burger:
a. beperkt of niet zelfredzaam is op één of meerdere levensdomeinen; én
b. waarbij er geen of onvoldoende adequate hulp of ondersteuning kan plaatsvinden vanuit het sociale netwerk en/of algemeen toegankelijke voorziening; én
c. andere voorliggende voorzieningen niet van toepassing zijn (geen adequate oplossing bieden)
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in eerste instantie onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de maatschappelijke ondersteuning die eiseres nodig heeft. Daarbij is namelijk niet het gebruikelijke stappenplan gevolgd. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, (CRvB), zoals die blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2018:819. De rapportage van 28 januari 2019 voldeed niet aan de eisen, omdat daaruit niet voldoende bleek welke problemen en stoornissen er bij eiseres zijn, en voor welke activiteiten zij eventueel hulp en ondersteuning nodig heeft. Zonder een deugdelijke inventarisatie van de geschetste problematiek kon verweerder niet tot het oordeel komen dat de benodigde hulp in de vorm van gebruikelijke zorg door gezinsleden kan worden verleend. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook dat eiseres in het verleden, vóór de inwerkingtreding van de Wmo 2015, wel een budget voor individuele begeleiding kreeg. Dit zorgvuldigheidsgebrek is in de bezwaarprocedure niet (voldoende) hersteld.
(2) bezoek van recreatieve activiteiten buitenshuis, en (3) bezoek aan artsen of andere behandelaars. In overleg met eiseres en haar gemachtigde is geïnventariseerd voor welke activiteiten eiseres precies ondersteuning en begeleiding nodig heeft en hoeveel tijd daarmee gemoeid is. Verder heeft verweerder beoordeeld of in de situatie van eiseres sprake is van gebruikelijke zorg, of dat toch maatwerk nodig is.
Wat het schema van de overige activiteiten betreft stelt verweerder dat de hiervoor benodigde zorg mogelijk eveneens (deels) kan worden bekostigd uit het budget voor persoonlijke verzorging dat door de zorgverzekeraar is toegekend, bijvoorbeeld als eiseres vervoer nodig heeft naar het ziekenhuis. Voor het overige meent verweerder dat alleen aanspraak kan worden gemaakt op de tijd die gemoeid is met daadwerkelijke ondersteuning. Voor het enkel aanwezig zijn wordt geen voorziening verstrekt. In voorkomend geval kan voor de noodzakelijke hulp en ondersteuning volgens verweerder een beroep kan worden gedaan op hulp van degene die wordt bezocht, bijvoorbeeld bij het aan- en uittrekken van de jas, bij het nuttigen van consumpties, toiletbezoek en zo nodig transfers vanuit de rolstoel. Al met al mag volgens verweerder van eiseres worden verwacht dat zij op eigen kracht en met hulp van haar omgeving in haar hulpvraag kan voorzien. Niet is gebleken dat er een noodzaak bestaat voor het verstrekken van een (aanvullende) maatwerkvoorziening ondersteuning.
Beslissing
herroept het primaire besluit, bepaalt dat verweerder aan eiseres een maatwerkvoorziening toekent voor ondersteuning bij lokale verplaatsingen in de vorm van een persoonsgebonden budget van € 31,30 per week, ingaande met terugwerkende kracht op 15 april 2019, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
mr. R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2022.