De werknemer werd op 1 oktober 2021 op staande voet ontslagen wegens vermeende ongeoorloofde afwezigheid sinds 16 september 2021 en eerdere gedragsproblemen. De werkgever stelde dat de werknemer zich niet ziek had gemeld en meerdere waarschuwingen had ontvangen. De werknemer betwistte dit en gaf aan dat hij wel ziek was en onder behandeling stond van de GGZ.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag op staande voet een uiterst middel is dat met terughoudendheid moet worden toegepast. De werkgever was op de hoogte van de medische situatie van de werknemer en had de bedrijfsarts moeten inschakelen om de afwezigheid te beoordelen. Ook waren de waarschuwingen niet schriftelijk onderbouwd. Daarom was het ontslag niet rechtsgeldig gegeven en werd het vernietigd.
De arbeidsovereenkomst herleeft onder dezelfde voorwaarden en de werkgever moet het loon over september tot en met november 2021 doorbetalen met wettelijke verhoging en rente. Het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verwijtbaar handelen of verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de werknemer.