ECLI:NL:RBDHA:2022:6036
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf kleinkind bij grootouders wegens ontbreken pleegkindrelatie
Eiseres, een Iraanse minderjarige geboren in 2013, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland bij haar grootvader. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat niet was gebleken dat eiseres feitelijk deel uitmaakte van het gezin van haar grootvader. Eiseres betoogde dat zij altijd door haar oma was verzorgd en dat het in haar belang was herenigd te worden met haar grootouders, ondanks het feit dat haar vader ook een verblijfsrecht zou verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres sinds eind 2017 feitelijk deel uitmaakt van het gezin van haar vader, die de zorg draagt, en dat de financiële afhankelijkheid van de grootvader ook op afstand kan worden gegeven. Hoewel eiseres een sterke band met haar oma heeft, is niet gebleken dat de vader niet in staat is voor haar te zorgen. De rechtbank achtte het belang van het kind gediend met opgroeien bij de biologische ouders, ook gezien de pleegrelatie niet is aangetoond.
Het beroep op artikel 24, derde lid, van het Handvest en het arrest van het HvJEU van 13 maart 2019 werden verworpen omdat de belangen van het kind voldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.