Eiser, met diverse lichamelijke beperkingen, ontving sinds 2015 ondersteuning bij het huishouden op grond van de Wmo 2015. In 2018 werd een indicatie toegekend voor 12 uur zorg per week, vastgelegd in een ondersteuningsplan. In 2020 stelde de zorgaanbieder dat minder uren nodig waren, waarna een nieuw ondersteuningsplan werd opgesteld met een lagere frequentie, waartegen eiser bezwaar maakte.
Verweerder verklaarde het bezwaar aanvankelijk niet-ontvankelijk, maar behandelde het later inhoudelijk en wees het af. Verweerder baseerde zich op een resultaatgerichte werkwijze en rapporten van KPMG en het CIZ-protocol, en stelde dat de zoon van eiser een deel van de taken kon overnemen. Eiser voerde aan dat de wijziging onterecht was, onvoldoende gemotiveerd, en dat de zorgaanbieder financieel belang had bij minder inzet.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de lagere frequentie volstaat. De enkele verwijzing naar rapporten is onvoldoende, zeker omdat deze al bij het oorspronkelijke besluit bekend waren. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser met de lagere ondersteuning voldoende wordt gecompenseerd in zijn beperkingen.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het gewijzigde primaire besluit, waardoor de oorspronkelijke indicatie en het ondersteuningsplan van 2018 herleven. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.