Eiser, een Poolse staatsburger, werd op 3 juni 2022 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet op voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen en dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn vertrekplicht. Tevens was eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en beschikte hij niet over voldoende middelen van bestaan. Hoewel verweerder enkele gronden ter zitting had laten vallen, bleven zware en lichte gronden overeind die de bewaring rechtvaardigen.
Eiser voerde aan dat hij geen verklaring had afgelegd dat hij zijn terugkeerplicht zou negeren en dat hij bekend was in Tilburg, ondanks het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank oordeelde dat deze argumenten onvoldoende waren om het onttrekkingsgevaar te weerleggen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.