Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] en [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college)
[derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de voorzieningenrechter
afzonderlijkeruimte aan het hoofdgebouw wordt toegevoegd.
moetgaan of
kangaan. In de definitie van aanbouw (artikel 1.3 van de planregels) staat het woord “afzonderlijke” tussen haakjes. Die definitie is daarmee niet zo duidelijk als verzoekers betogen. Naar voorlopig oordeel kan op basis daarvan niet de eis worden gesteld dat het om een afzonderlijke ruimte moet gaan. Bij die lezing had voor de hand gelegen dat de haakjes waren weggelaten. Dat de planwetgever ervoor heeft gekozen het woord afzonderlijk tussen haakjes te plaatsen, duidt er veeleer op dat planwetgever de reikwijdte van het begrip aanbouw niet tot afzonderlijke ruimtes heeft beperkt, maar dat een aanbouw zowel een toevoeging van een afzonderlijke als van een niet afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw kan zijn. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het begrip “uitbouw” in het bestemmingplan, anders dan bijvoorbeeld in de door verzoekers aangehaalde jurisprudentie, niet apart is gedefinieerd. Namens het college is ter zitting voorts toegelicht dat de planwetgever, zoals uit paragraaf 5.2.3. van de toelichting op het bestemmingsplan kan worden opgemaakt, met de in artikel 19.2.2. opgenomen regeling voor aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen slechts heeft beoogd aan te sluiten bij de regeling voor vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken uit het Bor, waarin geen onderscheid tussen een aan- en uitbouw wordt gemaakt. Naar voorlopig oordeel kan een aanbouw volgens artikel 1.3. van de planregels daarom ook een niet afzonderlijke ruimte betreffen.