ECLI:NL:RBDHA:2022:6081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20_2442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.16a Wet op de inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarin zij stelt dat er onterecht een lager bedrag aan loonheffingen is gehanteerd en dat zij recht heeft op de jonggehandicaptenkorting. De Belastingdienst baseerde de aanslag op het renseignement met een loon van €6.769 en ingehouden loonheffingen van €27, terwijl eiseres aangaf een hoger inkomen en loonheffingen te hebben.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het loon of de loonheffingen hoger zijn dan door de Belastingdienst vastgesteld. Ook heeft zij niet bewezen dat zij recht heeft op de jonggehandicaptenkorting, aangezien zij niet heeft onderbouwd dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

Daarnaast kan eiseres geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van uitlatingen van een derde die haar aangifte heeft verzorgd, omdat deze niet door de Belastingdienst zijn gedaan. De belastingrente is niet betwist met een gegrond juridisch argument.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag zoals opgelegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/2442
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2022 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres(gemachtigde: S.P. Girjasing),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 31 januari 2020 op het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022.
Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Door een derde zijn namens eiseres voor het jaar 2015 diverse aangiften IB/PVV ingediend en is diverse malen verzocht om wijziging van opgelegde voorlopige aanslagen. Op 12 juni 2016 is de meest recente aangifte IB/PVV gedaan, waarbij het aangegeven inkomen € 19.769 bedraagt en geheel bestaat uit loon van T-Zorg. Volgens de aangifte is op loon van T-Zorg € 11.727 aan loonheffingen ingehouden en bestaat recht op de jonggehandicaptenkorting.
2. Uit gegevens van de Belastingdienst (het renseignement) volgt dat het inkomen van eiseres voor het jaar 2015 van T-Zorg Personeel B.V € 6.769 bedraagt en dat hierop € 27 aan loonheffingen is ingehouden.
3. Met dagtekening 9 januari 2017 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over zijn voornemen om van de ingediende aangifte af te wijken. Verweerder gaat uit van de gegevens zoals opgenomen in het renseignement. Daarnaast bestaat volgens verweerder geen recht op de jonggehandicaptenkorting.
4. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 (de aanslag) heeft dagtekening 24 februari 2017 en is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.769. Daarbij is uitgegaan van een bedrag aan ingehouden loonheffingen van € 27 en is de jonggehandicaptenkorting niet toegepast. Het op de aanslag te betalen bedrag bedraagt € 6.460. Dit bedrag is inclusief € 8 aan in rekening gebrachte belastingrente.
5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Dit bezwaar is met dagtekening 25 oktober 2017 door verweerder afgewezen.
6. Eiseres heeft vanaf 2 augustus 2018 meerdere malen opnieuw bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslag. Deze verzoeken zijn afgewezen.
7. Het bezwaar van eiseres van 24 mei 2019 is door verweerder aangemerkt als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 31 januari 2020 is het bezwaar afgewezen.
8. Eiseres heeft op 3 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Dit bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar inzake de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van 31 januari 2020 en om die reden doorgestuurd naar de rechtbank.
9. In geschil is of de aanslag naar een juist bedrag is vastgesteld.
10. Bij de aanslagoplegging is uitgegaan van de loongegevens zoals deze zijn opgenomen in de systemen van de Belastingdienst. Dat deze gegevens onjuist zijn en dat een hoger bedrag aan loonheffingen is ingehouden dan de € 27 waar verweerder van is uitgegaan, is niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres dat de belasting verkeerd is berekend, is daartoe onvoldoende.
11. Op grond van artikel 8.16a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 geldt de jonggehandicaptenkorting voor de belastingplichtige die in een kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij de ouderenkorting geldt. De bewijslast dat aan deze voorwaarde is voldaan, rust op eiseres. Eiseres heeft niet onderbouwd dat ze op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning. Zij is er dan ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op de jonggehandicaptenkorting.
12. De stelling dat de indiener van de aangifte heeft medegedeeld dat eiseres geen belasting is verschuldigd waardoor eiseres nu geen belasting meer zou hoeven betalen, wordt door de rechtbank aangemerkt als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat door verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, waaraan eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat de door haar ingediende aangiften zou worden gevolgd. In dit geval beroept eiseres zich niet op uitlatingen van verweerder, maar op uitlatingen van de persoon die zij had ingeschakeld om haar aangifte te verzorgen. Verweerder is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor uitlatingen van een derde en ook niet gebonden aan de inhoud van dergelijke uitlatingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.
13. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de aanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd en is het beroep ongegrond verklaard.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.