ECLI:NL:RBDHA:2022:6242
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
Verzoekster heeft bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag gedaan om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit primaire besluit is op 10 mei 2021 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt, dat door verweerder op 21 juli 2021 ongegrond is verklaard.
Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, dat op 21 april 2022 op zitting is behandeld. Tijdens deze procedure heeft verzoekster tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen totdat op haar bezwaar en beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak gedaan zonder zitting. Omdat de rechtbank op dezelfde dag als de uitspraak op het verzoek de beroepszaak heeft beslist, is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen is afgewezen.