ECLI:NL:RBDHA:2022:6245
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij een persoon met de initialen A. Deze vergunning is bij besluit van 9 november 2020 met terugwerkende kracht ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd bij besluit van 24 juni 2021 ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld door verzoeker. Voorafgaand aan de behandeling van het beroep heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang het beroep nog niet was beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek zonder zitting behandeld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat op dezelfde dag als de uitspraak in deze zaak ook op het beroep zelf is beslist. Hierdoor was het verzoek om een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening ter voorkoming van uitzetting is afgewezen.