ECLI:NL:RBDHA:2022:6292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2022
Publicatiedatum
29 juni 2022
Zaaknummer
SGR 21/1360
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op Wob-verzoek inzake documenten woningbezoek Wmo-procedure

Eiser heeft een Wob-verzoek ingediend gericht op documenten rondom een onverwacht woningbezoek in een Wmo-procedure van zijn cliënt. Verweerder heeft slechts twee documenten openbaar gemaakt, waaronder het verslag van het woningbezoek. Eiser betoogt dat er meer documenten zijn en dat de procedure onzorgvuldig en partijdig is verlopen.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten zijn dan openbaar gemaakt. Ook is geen sprake van partijdigheid of schending van hoor en wederhoor, mede omdat eiser zelf het Wob-verzoek heeft ingediend en niet namens zijn cliënt. Het verzoek om uitstel van de zitting wordt afgewezen wegens late indiening en onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank concludeert dat de Wob-procedure zorgvuldig is verlopen en dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op het Wob-verzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/1360

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: J. van Zijp).

Procesverloop

In het besluit van 29 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers Wob [1] -verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
In het besluit van 10 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2020 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van 10 oktober 2019 gegrond verklaard en bepaald dat verweerder nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen
In het besluit van 6 januari 2021 (het bestreden besluit) is verweerder aan eisers
Wob-verzoek tegemoetgekomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2022 via een telefonische verbinding op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van verweerder waren aanwezig.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft een Wob-verzoek gedaan over een procedure van een client in verband met de verstrekking van een gehandicaptenvoertuig op grond van de Wmo [2] . In die zaak heeft een onverwachts woningbezoek plaatsgevonden, terwijl er geen sprake was van een lopende Wmo-melding ten aanzien van eisers client. Volgens eiser heeft verweerder in die zaak onrechtmatig gehandeld. Daarom wil hij alle stukken, inclusief telefoonnotities, WhatsApp berichten, aantekeningen in registratiesystemen, rapportages en dergelijke, over telefoongesprekken gevoerd op 4 en 22 oktober 2018 in het kader van het genoemde huisbezoek.
2. Volgens verweerder bestaat er één document die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt, namelijk het verslag van een mislukt woningbezoek. Dat document heeft verweerder openbaar gemaakt. Ook heeft verweerder de notitie van een hulpvraag die op het woningbezoek betrekking had openbaar gemaakt.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij vindt dat het verslag van de hoorzitting onvolledig is. Verweerder heeft zich partijdig opgesteld zodat geen sprake was van hoor en wederhoor. De medewerker die de huisbezoeken heeft afgelegd werkt nog op dezelfde afdeling, in tegen stelling tot wat verweerder beweert. De medewerker is ook niet de juiste persoon om informatie over de huisbezoeken te geven omdat die onrechtmatig waren. Ook had eisers client gehoord moeten worden omdat in zijn woning is binnengetreden. Het advies van de adviescommissie gaat verder voorbij aan eisers standpunt over de archiefbeheerder die onderzoek dient te doen naar de gevraagde informatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verzoek om uitstel
4. Eiser heeft verzocht om uitstel van de zitting omdat hij nog documenten wil overleggen die volgens hem van belang zijn voor zijn beroep. Vanwege ziekte is hij daar niet eerder toe in staat geweest. Omdat eiser het verzoek om uitstel aan het eind van de middag op de dag voor de zitting heeft ingediend, heeft de rechtbank het verzoek ter zitting besproken. De rechtbank wijst het verzoek om uitstel af. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd hoe de documenten die hij wil overleggen relevant zijn voor zijn beroep en de beoordeling daarvan. De documenten die eiser bij het verzoek om uitstel heeft overgelegd zal de rechtbank niet meenemen bij de beoordeling van het beroep nu de late indiening daarvan in strijd is met de goede procesorde. Bovendien zien de stukken op de Wmo-procedure van zijn cliënt en kan daaruit niet zonder meer blijken dat verweerder het Wob-verzoek niet goed heeft beoordeeld.
Wob-verzoek
5. Eiser stelt dat de Wob-procedure onzorgvuldig is verlopen. Verweerder zou zich partijdig hebben opgesteld en een medewerker die ook bij de Wmo-procedure betrokken was, is ook bij de Wob-procedure betrokken. Het onderzoek had uitgevoerd moeten worden door een archiefbeheerder. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Ten eerste is de adviescommissie onafhankelijk. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waaruit blijkt dat de adviescommissie partijdig zou zijn of dat er geen hoor en wederhoor zou zijn toegepast. Het enkele feit dat sommige opmerkingen niet in het verslag van de hoorzitting of het advies terecht zijn gekomen is onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij heeft eiser zelf (op eigen naam) het Wob-verzoek ingediend en niet namens zijn cliënt in de genoemde Wmo-procedure, zodat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers cliënt te horen. Verder heeft eiser niet concreet onderbouwd op wat voor een manier verweerder zich anderszins partijdig zou hebben opgesteld. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij samen met de Wmo-medewerker en haar meerdere heeft gezocht naar documenten die onder de reikwijdte van eisers Wob-verzoek vallen. Daarbij zijn twee documenten gevonden en openbaar gemaakt. Verder heeft verweerder toegelicht dat de domeinmanager verantwoordelijk is voor Wob-verzoeken en niet de archiefbeheerder. De enkele stelling ter zitting dat verweerder de verkeerde zoektermen zou hebben gebruikt omdat verweerder de naam van eisers cliënt een keer verkeerd heeft gespeld in het dossier, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de naam van eisers cliënt een keer verkeerd gespeld is door verweerder, betekent niet dat de naam ook onjuist is ingevoerd bij het zoeken naar documenten of dat er onjuiste zoektermen zijn gebruikt.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten bij verweerder berusten dan openbaar zijn gemaakt. Voor zover eiser betoogt dat het, gelet op de omvang van het door hem deels overgelegde Wmo-dossier, onwaarschijnlijk is dat er niet meer is, volgt de rechtbank dit niet. Hierbij is van belang dat eiser het Wob-verzoek heeft toegespitst op (telefoon)contacten en stukken handelend over het huisbezoek bij zijn cliënt. Ten slotte kan uit de gestelde fouten en onrechtmatigheden die in de Wmo-procedure volgens eiser zouden zijn voorgevallen, niet afgeleid worden dat verweerder informatie achterhoudt.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Wet openbaarheid van bestuur.
2.Wet maatschappelijke ondersteuning.