ECLI:NL:RBDHA:2022:63
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag nareis wegens niet aangetoonde pleegrelatie
Eisers hebben een mvv-aanvraag ingediend om bij hun zus, tevens vermeende pleegmoeder, te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs voor de pleegrelatie. Eisers betwistten dit en stelden dat zij wel degelijk pleegkinderen zijn, maar leverden geen aanvullende documenten.
De rechtbank oordeelde dat het de verantwoordelijkheid van eisers is om de benodigde stukken te overleggen. Verweerder had hen reeds gewezen op de onvolledigheid van de aanvraag en de mogelijkheid geboden om bewijs aan te leveren. Telefonisch contact met de contactpersoon van eisers bevestigde dat referente alleen hun oudste zus is, niet hun pleegmoeder.
Verder nam de rechtbank mee dat een eerdere soortgelijke aanvraag ook was afgewezen wegens onvoldoende bewijs, waartegen geen beroep was ingesteld. De rechtbank vond dat verweerder terecht de eerdere procedure had betrokken bij de beoordeling.
De rechtbank concludeerde dat de pleegrelatie niet was aangetoond en dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat het redelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de pleegrelatie.