ECLI:NL:RBDHA:2022:6340
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering verblijfsdocument Brits burger onder Terugtrekkingsakkoord
Verzoeker, een Brits burger, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 18 en Pro 19 van het Terugtrekkingsakkoord. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag bij besluit van 25 november 2021 af. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard bij besluit van 2 februari 2022. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen aanleiding was om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, mede omdat op het beroep zelf al op dezelfde dag uitspraak werd gedaan. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Daarnaast werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De rechtbank hield rekening met de omstandigheden zoals het ontbreken van ononderbroken verblijf, de medische situatie van de echtgenote van verzoeker en de reisbeperkingen door de coronapandemie. Tevens vond een ambtshalve toets plaats op grond van artikel 8 EVRM Pro, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsdocumentaanvraag is afgewezen.