ECLI:NL:RBDHA:2022:6342

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2022
Publicatiedatum
1 juli 2022
Zaaknummer
NL22.4040 en NL21.20263
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvragen op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eisers, een echtpaar met de Syrische nationaliteit, dienden op 7 december 2021 asielaanvragen in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde deze aanvragen niet-ontvankelijk omdat de Bulgaarse autoriteiten eerder subsidiaire bescherming aan hen hadden verleend. Dit besluit is gebaseerd op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt uitgegaan van de betrouwbaarheid van eerdere beschermingsbesluiten binnen de EU.

Eisers voerden aan dat hun situatie in Bulgarije wezenlijk verschilt en dat zij geen toekomst kunnen opbouwen, hun kinderen niet naar school kunnen laten gaan en geen adequate hulp kunnen krijgen van Bulgaarse autoriteiten. Zij verwezen ook naar het AIDA-rapport dat een verslechterde situatie voor statushouders in Bulgarije beschrijft.

De rechtbank oordeelde dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europese Hof van Justitie een hoge drempel stelt voor het doorbreken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Bovendien hebben zij onvoldoende inspanningen verricht om hun rechten in Bulgarije te effectueren en is niet gebleken dat klachten bij hogere autoriteiten zinloos zouden zijn.

De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.4040 en NL21.20263

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[Naam 1], eiser, V-nummer: [Nummer 1], en

[Naam 2],eiseres, V-nummer: [Nummer 2],
mede namens hun minderjarige kinderen
[Naam 3], geboren [Geboortedatum 3],
[Naam 4], geboren [Geboortedatum 4], en
[Naam 5], geboren [Geboortedatum 5]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. F.F.M. van de Kamp en mr. J. Visschers).

ProcesverloopBij besluiten van 9 maart 2022 respectievelijk 27 december 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers (een echtpaar) tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben op respectievelijk 9 maart 2022 en 28 december 2021 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres met zaaknummer NL21.20263, tezamen met de zaak NL21.20264, op 10 februari 2022 op zitting behandeld door mr. C. van Boven-Hartogh. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen G.M.A. Al-Harbia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.F.M. van de Kamp.
De rechtbank heeft het beroep ter zitting aangehouden in afwachting van verweerders besluit op de asielaanvraag van eiser, om het gezin bij elkaar te houden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen en bepaald dat eiseres er belang bij heeft om de uitkomst van haar beroep in Nederland te kunnen afwachten.
Verweerder heeft op 14 maart 2022 een schriftelijke reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep van eiser met zaaknummer NL22.4040, tezamen met de zaak NL22.4041, op 28 april 2022 op zitting behandeld door mr. C. van Boven-Hartogh. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visschers.
Ter zitting heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of een voortzetting van de behandeling van het beroep van eiseres ter zitting wordt gewenst. Partijen hebben aangegeven dit niet noodzakelijk te achten.
Aangezien wegens omstandigheden genoemde rechter niet in staat is deze zaak verder af te wikkelen heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Met toestemming van partijen wordt deze zaak thans, buiten verdere zitting, afgedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, waartoe het onderzoek weer is gesloten.

Overwegingen

1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [Geboortedatum 1] en [Geboortedatum 2] en de Syrische nationaliteit te bezitten.
2. Op 7 december 2021 hebben eisers asielaanvragen in Nederland ingediend. Verweerder heeft de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard [1] omdat de Bulgaarse autoriteiten op respectievelijk 26 november 2020 en 12 augustus 2021 aan eisers subsidiaire bescherming hebben verleend. Verweerder heeft aan de besluiten ten grondslag gelegd dat, gelet op de jurisprudentie, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit in hun geval niet zo is. Eisers hebben niet onderbouwd dat zij geen hulp kunnen krijgen van de Bulgaarse autoriteiten, ook is niet gebleken dat zij hebben geklaagd bij de (hogere) autoriteiten. De verwijzing naar het recente AIDA-rapport [2] leidt niet tot een ander oordeel, nu daaruit niet is gebleken dat de situatie voor statushouders in Bulgarije wezenlijk is verslechterd sinds de uitspraak van de Afdeling [3] op 16 december 2021. [4]
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren aan dat er een wezenlijk verschil is tussen hun juridische en feitelijke situatie. Eisers kunnen geen toekomst opbouwen in Bulgarije en het lukt niet om hun kinderen naar school te laten gaan. Het is voor hen feitelijk onmogelijk om aangifte te doen of de voorkomende misstanden gedocumenteerd te krijgen. Ze zijn in de praktijk niet welkom in Bulgarije. Verder moet verweerder het grote perspectief bekijken, aangezien er veel dezelfde verhalen worden aangevoerd door vreemdelingen in een soortgelijke situatie als eisers. Verweerder mag daarom niet aan het asielrelaas voorbij gaan met de enkele opmerking dat eisers hun relaas niet kunnen onderbouwen met documenten en daarom wordt uitgegaan van het interstatelijk
vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De Afdeling heeft op 16 december 2021 geoordeeld dat weliswaar sprake is van een verslechterde situatie voor statushouders, maar dat de hoge drempel uit het arrest Ibrahim [5] waarbij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest [6] aannemelijk is, niet is gehaald. De Afdeling heeft die uitspraak recent nog bevestigd in de uitspraak van 15 april 2022. [7]
5. Gelet op deze uitspraken van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van statushouders in het algemeen niet zodanig slecht is dat zij het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval anders is.
6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daarin niet geslaagd. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om hun rechten als statushouders te effectueren. Hun enkele stellingen zijn onvoldoende om dit aan te tonen. Mochten eisers problemen ondervinden bij het effectueren van hun rechten als statushouders, mag van hen worden verwacht dat zij zich wenden tot de Bulgaarse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat dit bij voorbaat zinloos is. Eiser heeft zelfs verklaard niet te hebben geklaagd nadat Caritas zou hebben geweigerd om hem te helpen. [8] Daarom is niet gebleken dat de (hogere) autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen.
7. Verder stelt verweerder terecht dat het aan eisers is om hun persoonlijke
ervaringen te onderbouwen en niet te verwijzen naar asielrelazen van anderen.
8. De beroepen zijn ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr.J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AIDA-rapport 'Country Report: Bulgaria 2021 Update' van de European Council on Refugees and Exiles van 23 februari 2022.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak Ibrahim tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:219.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Pagina 6 van het rapport gehoor bescherming EU van 22 december 2021.