De rechtbank Den Haag behandelde een civiele zaak waarin eiser een schadeclaim indiende bij zijn verzekeraar Nationale Nederlanden (NN) wegens diefstal van zijn BMW-auto. NN had de schadeclaim afgewezen op grond van vermeende opzettelijke misleiding door eiser over de aankoopprijs, de verkoper en de staat van de auto.
Eiser betwistte de beschuldigingen en onderbouwde zijn verklaringen met getuigenverklaringen en toelichtingen over de betaling en aankoop. De rechtbank vond dat NN onvoldoende concrete aanwijzingen had om te concluderen dat eiser opzettelijk onjuiste informatie had verstrekt. Ook het vermeende verzwijgen van een schadeverleden aan de auto werd niet bewezen.
De rechtbank oordeelde dat NN de schade-uitkering op grond van de polisvoorwaarden moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2020. Daarnaast werd NN veroordeeld tot het verwijderen van de persoonsgegevens van eiser uit het Interne Verwijzingsregister (IVR), maar niet uit de Gebeurtenissenadministratie, omdat daar sprake was van een relevante gebeurtenis.
Verder wees de rechtbank de vordering tot vergoeding van advocaatkosten op grond van onrechtmatig handelen af, maar kende buitengerechtelijke incassokosten toe. NN werd veroordeeld in de proceskosten en de nakosten werden begroot. Het vonnis werd bij vervroeging uitgesproken op 22 juni 2022.