ECLI:NL:RBDHA:2022:6422
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrondverklaring beroep vreemdelingenzaak
Verzoeker, van Surinaamse nationaliteit, had een aanvraag gedaan om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen bij een besluit van 15 juni 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij een besluit van 26 augustus 2021, dat later werd vervangen door een besluit van 28 februari 2022.
Tegen het besluit van 26 augustus 2021 stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening als een verzoek hangende het beroep werd beschouwd. De voorzieningenrechter deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter constateerde dat het beroep van verzoeker inmiddels ongegrond was verklaard, waardoor er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 15 juni 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.