ECLI:NL:RBDHA:2022:6422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
AWb 21/3517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 6:19 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrondverklaring beroep vreemdelingenzaak

Verzoeker, van Surinaamse nationaliteit, had een aanvraag gedaan om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen bij een besluit van 15 juni 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij een besluit van 26 augustus 2021, dat later werd vervangen door een besluit van 28 februari 2022.

Tegen het besluit van 26 augustus 2021 stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening als een verzoek hangende het beroep werd beschouwd. De voorzieningenrechter deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter constateerde dat het beroep van verzoeker inmiddels ongegrond was verklaard, waardoor er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 15 juni 2022.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3517

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], van Surinaamse nationaliteit, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000, [1] afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 21/3517).
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 26 augustus 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Dit besluit is door verweerder vervangen met het besluit van 28 februari 2022.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 26 augustus 2021 beroep ingesteld (AWB 21/5401), zodat het al ingediende verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich ook tegen het besluit van 28 februari 2022.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [2] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer AWB 21/5401.