Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
4.De bewijsbeslissing
een staalkabelover de weg hing en daarmee het gevaar af te wenden. Aangeefster reed op de rechterhelft van de weg - de zijde waar zij als weggebruiker ook diende te fietsen - en heeft gewoon haar weg vervolgd. De weg tussen de bergingsauto van de verdachte en het trottoir was weliswaar smal, maar leek vrij en aangeefster bleef op deze weg fietsen. Dat was ook volstrekt logisch en anders dan de verdediging heeft aangevoerd is het niet aan aangeefster te wijten dat zij niet linksom om de takelwagen is heengereden. Zij zag immers geen kabel en de weg was verder vrij van obstakels. De verdachte had deze weg niet afgezet met bijvoorbeeld pionnen, een hek of een waarschuwingsbord. Aangeefster hoefde daarom niet te anticiperen op een staalkabel die over de weg was gespannen. Bovendien stond de verdachte op het moment dat aangeefster aan kwam fietsen, aan de achterzijde van de takelwagen. Hierdoor had hij geen zicht op de weg en heeft hij aangeefster ook niet kunnen zien aan komen fietsen en kunnen waarschuwen voor het naderende gevaar. Op grond van het voorgaande heeft de verdachte door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en op een plek te gaan staan waar hij de weg niet kon overzien aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld en daarmee schuld aan het ongeval.
te bewakendat weggebruikers niet tegen die staalkabel zouden kunnen rijden, terwijl vervolgens een fietser te weten [slachtoffer] tegen die staaldraad is aan gereden, waardoor het mede aan zijn schuld, verdachtes schuld te wijten is geweest dat voornoemde
zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de beroepsbezigheden was ontstaan, te weten twee gebroken ribben en een longkneuzing.