Eiseres, een Iraanse vrouw, verzocht asiel met het argument dat zij vanwege haar werkzaamheden op een ultravertrouwelijke afdeling in Iran en de daaruit voortvloeiende verdenkingen en bedreigingen door de veiligheidsdiensten, een reëel risico loopt bij terugkeer. De staatssecretaris wees het verzoek af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en onvoldoende aannemelijkheid van het risico.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende documenten over haar dienstverband in de betreffende periode kon overleggen en dat haar relaas over de ultravertrouwelijke werkzaamheden niet aannemelijk was. De rechtbank achtte het niet onredelijk dat verweerder van eiseres verwacht dat zij haar dienstverband met documenten onderbouwt, ook al hoeft zij niet te bewijzen dat zij op een ultravertrouwelijke afdeling werkte.
Daarnaast vond de rechtbank dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk een verhoogd risico loopt op ernstige schade of onmenselijke behandeling bij terugkeer in Iran. De enkele verdenking en incidentele ondervragingen waren onvoldoende, mede gelet op het feit dat zij meerdere jaren zonder problemen in Iran verbleef.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.