ECLI:NL:RBDHA:2022:6634
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op intrekking bijstandsuitkering en individuele inkomenstoeslag wegens niet gemeld contant inkomen en verblijf buitenland
Eiseres ontving een bijstandsuitkering die door het college van burgemeester en wethouders van Westland werd ingetrokken en herzien over de maanden december 2018 en januari 2019, vanwege contante betalingen voor een reis naar Curaçao die zij niet had gemeld. Daarnaast werd de uitkering ingetrokken over de periode van 9 tot en met 13 juni 2019 wegens verblijf in het buitenland langer dan de wettelijk toegestane vier weken. Eiseres voerde aan dat het contante geld afkomstig was van haar ex-partner en dat zij niet wist dat zij het verblijf in het buitenland moest melden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres feitelijk beschikte over het contante geld en geen objectief bewijs leverde dat het geld niet van haar was. Dit geld werd daarom als inkomen aangemerkt. Het niet melden van het bezit van contant geld en het verblijf in het buitenland vormde een schending van de inlichtingenplicht. De intrekking en herziening van de uitkering waren daarmee terecht. Ook de afwijzing van de aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag werd bevestigd omdat het inkomen van eiseres in de referteperiode hoger was dan 110% van de bijstandsnorm.
Eiseres stelde dat de terugvordering grote financiële gevolgen voor haar zou hebben, maar de rechtbank vond dat zij onvoldoende dringende redenen had aangevoerd om van terugvordering af te zien. De rechtbank wees het beroep ongegrond en bevestigde de besluiten van het college.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de intrekking en herziening van de bijstandsuitkering en de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag.