ECLI:NL:RBDHA:2022:669
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke zaken over Wet minimumloon
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de bestuursrechtelijke hoofdzaken behandelt over bestuurlijke boetes en waarschuwingen op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter reeds een oordeel had gevormd in een voorlopige voorziening en het verzoek om extra behandeltijd had afgewezen.
De wrakingskamer oordeelt dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend, gelet op de definitieve toedeling van de rechter vlak voor de zitting. De kamer overweegt dat het enkele feit dat de rechter eerder een voorlopige voorziening heeft behandeld, niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Tevens is de klacht over de afwijzing van extra behandeltijd te laat ingebracht en betreft een procedurele beslissing die niet tot wraking kan leiden.
De wrakingskamer concludeert dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor partijdigheid en wijst het verzoek af. De procedure in de hoofdzaken wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.