Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 19 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Overwegingen
dusbetekent dat er geen procedure is indien iemand gedwongen wordt opgenomen of dat, indien er wel een procedure is, de patiënt zijn eigen standpunt over een mogelijke opname niet naar voren kan brengen en zich in die procedure niet kan laten bijstaan door een derde. Eiser heeft niet verklaard dat hij een gesprek heeft gevoerd met een advocaat toen de politie hem naar het ziekenhuis heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit echter niet worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een gedwongen opname én eiser hierover niet is gehoord én eiser geen bijstand van een derde heeft kunnen krijgen én dit voor Duitse onderdanen anders is én Duitse regelgeving op dit punt in strijd is met het Unierecht. Eiser heeft enkel verklaard dat hij niet langer in het ziekenhuis wilde verblijven, dat hij wilde vertrekken uit het ziekenhuis en dat hij dat ook op eenvoudige wijze feitelijk heeft gedaan. Dat sprake is van bewijsnood en dat eiser geen negatieve feiten aannemelijk kan maken volgt de rechtbank niet. Eiser had bijvoorbeeld kunnen wijzen op Duitse regelgeving zodat duidelijk zou worden hoe de betreffende procedure verloopt als er een gedwongen opname is en of een afschrift van een beslissing ter hand wordt gesteld. Dat eiser deze omstandigheden niet aannemelijk kan maken met documenten kan er zeer wel gelegen zijn in dat er geen gedwongen opname heeft plaatsgevonden. De verklaringen van eiser geven namelijk geen onderbouwing dat sprake is van een gedwongen opname. Eiser heeft verklaard dat hij stemmen hoorde toen de politie bij hem was en daardoor werd ingeschat dat hij medische zorg nodig had, dat deze zorg is aangeboden voor een periode van 2-3 maanden maar dat hij na enkele weken zich opgesloten voelde en toen de zorg heeft beëindigd door het ziekenhuis te verlaten en naar Nederland te komen. Bovendien ziet de rechtsvraag of van statushouders verwacht kan worden zich te begeven naar de statusverlenende lidstaat niet op verschillen in rechtspositie tussen Duitsland en Nederland indien op medische gronden wordt overgegaan tot een klinische opname. Eiser heeft in Duitsland als statushouder dezelfde rechten als Duitse onderdanen. Hij zal, als hij wil bewerkstelligen dat verweerder hem niet opdraagt om naar Duitsland te gaan, aannemelijk moeten maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet na is gekomen en/of na zal komen. Eiser is hier met zijn individuele relaas niet in geslaagd.
kánuitbrengen omdat een dergelijk advies wordt gebaseerd op stukken van behandelaars van de vreemdeling. De rechtbank heeft overwogen om de behandeling van het beroep aan te houden om te bezien of uit het contact met het GZA wellicht een behandeling volgt en of een eventuele nadere diagnose en stukken van eventuele behandelaar(s) dienen te worden afgewacht om alsnog een BMA-advies te laten uitbrengen. De rechtbank ziet hier thans van af. Zowel uit de medische contacten die eiser in 2016 in Nederland heeft gehad, als uit de verklaringen van eiser over het niet behandeld willen worden in Duitsland en daarom in Nederland een asielaanvraag in te dienen, valt af te leiden dat eiser geen behandeling wenst. Zoals uitgesproken ter zitting kan deze “zorgmijding” zeer wel gelegen zijn in de onderliggende medische problematiek. Ten tijde van de behandeling ter zitting en de sluiting van het onderzoek in de onderhavige procedure bestaat er echter nog geen enkele indicatie dat er een behandeling gaat plaatsvinden of dat eiser hierom zal verzoeken. Ook is niet onaannemelijk, gelet op de reden van vertrek uit Duitsland, dat eiser indien hem een behandeling wordt aangeboden deze niet zal aanvaarden en zich hieraan juist zal onttrekken. Ondanks de ernst van de medische en andere klachten zoals die uit het patiëntendossier blijkt zal de rechtbank de behandeling van het beroep daarom niet aanhouden. De rechtbank begrijpt de ter zitting geuite zorgen over eiser, echter, daargelaten dat het eigenlijk op de weg van eiser ligt om (meer) initiatief op dit punt te nemen, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om in deze procedure een medisch behandeltraject te initiëren omdat de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit toetst en bij deze stand van zaken heeft te gelden dat verweerder van eiser mag verwachten dat hij de rechten die hij ontleent aan de vaststelling dat hij internationale bescherming behoeft effectueert in de lidstaat die hem deze bescherming verleent.