ECLI:NL:RBDHA:2022:6881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
13 juli 2022
Zaaknummer
NL22.12329
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen bewaring op grond van Dublinverordening en toezichtrisico ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse asielzoeker, werd op 28 juni 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. Daarnaast werden lichte gronden genoemd, zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en strafrechtelijke antecedenten.

Eiser betwistte met name de zware gronden 3a en 3k en alle lichte gronden. De rechtbank oordeelde dat eiser niet heeft betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom deze grond relevant is. Ook is vastgesteld dat eiser geen medewerking verleent aan zijn overdracht aan Duitsland, hetgeen een zelfstandige zware grond vormt.

Ten aanzien van de lichte gronden stelde eiser dat het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en zijn strafrechtelijke antecedenten onvoldoende zijn om een risico op toezichtontduiking aan te nemen. De rechtbank volgde verweerder hierin en stelde dat de inschrijving in de Basisregistratie Personen als enige bewijs van vaste woon- of verblijfplaats geldt en dat eerdere meldingen voldoende aantonen dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken.

Gelet op de feitelijk juiste zware en lichte gronden concludeerde de rechtbank dat het risico op onttrekking aan het toezicht significant is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.12329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.
2. Eiser voert aan dat de maatregel niet rechtsgeldig is opgelegd omdat deze niet elektronisch is ondertekend.
3. De ondertekening van de maatregel heeft (zo volgt uit de - verifieerbare - digitale handtekening) op 28 juni 2022 om 15:27:02 uur plaatsgevonden. Eiser heeft vervolgens deze ondertekende maatregel uitgereikt gekregen en de maatregel is daarom rechtsgeldig aan eiser opgelegd.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [3] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [4] vermeld dat eiser:
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3k en alle lichte gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat deze grond op veel asielzoekers van toepassing is en verweerder daarom moet motiveren waarom de grond in dit geval relevant is. Eiser voert verder aan dat zware grond 3k geen zelfstandige betekenis heeft, nu dit slechts een herformulering van grond 3b is.
6. Eiser heeft niet betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom de zware grond 3a aan eiser wordt tegengeworpen. Dat de grond niet relevant zou zijn omdat deze voor veel asielzoekers opgaat volgt de rechtbank niet. Deze grond staat immers nadrukkelijk in het Vb opgenomen en kan dan ook worden tegengeworpen.
7 De grond 3k staat eveneens nadrukkelijk in het Vb opgenomen, wat maakt dat de grond zelfstandige betekenis heeft. Bij besluit van 29 maart 2022 is vastgesteld dat eiser dient te worden overgedragen aan Duitsland. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Eiser is op 3 februari 2022 en 25 april 2022 MOB gemeld, waaruit voldoende blijkt dat hij geen medewerking verleent aan de overdracht. De zware grond 3k is feitelijk juist.
8. Ten aanzien van lichte grond 4c stelt eiser dat het enkele feit dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, niet betekent dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Tot slot stelt eiser ten aanzien van lichte grond 4e dat zijn strafrechtelijke antecedenten onvoldoende zijn om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
9. Verweerder heeft op juiste gronden aan eiser tegengeworpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Volgens vaste jurisprudentie geldt enkel de inschrijving in de BRP [5] als een vaste woon-of verblijfplaats. Gelet op de eerdere MOB-meldingen is voldoende gebleken dat eiser zonder vaste woon- of verblijfplaats uit beeld zal verdwijnen en zich dus zal onttrekken aan het toezicht.
10. Verweerder heeft de lichte grond 4e terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft immers meerdere winkeldiefstallen gepleegd. De grond is feitelijk juist. Verweerder heeft, gelet op alle feitelijk juiste zware en lichte gronden, terecht een significant risico op onttrekking aan het toezicht aangenomen.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Basisregistratie personen.