De verdachte werd beschuldigd van verkrachting van het slachtoffer op of omstreeks 6 augustus 2019 te 's-Gravenhage. Het slachtoffer verklaarde dat zij door de verdachte gedwongen was tot meerdere seksuele handelingen onder bedreiging en geweld. De officier van justitie stelde dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kon worden op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen en DNA-sporen.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar en inconsistent waren, mede door haar belaste voorgeschiedenis. Daarnaast ontbraken blauwe plekken die de verklaring van dwang zouden ondersteunen en was er geen DNA van de verdachte aangetroffen op de vagina van het slachtoffer. Ook konden getuigenverklaringen vanwege tijdsverloop en inhoud geen bewijs leveren voor dwang.
De rechtbank concludeerde dat behalve de eigen verklaring van het slachtoffer geen ander direct bewijs aanwezig was dat de beschuldigingen ondersteunde. De DNA-spoor op de borst van het slachtoffer kon niet bijdragen aan het bewijs van seksueel binnendringen. De verklaringen van getuigen waren onvoldoende om de beschuldiging te staven. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.