ECLI:NL:RBDHA:2022:7114
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht als partner van een gemeenschapsonderdaan wegens schijnrelatie
Eiser, met de Ghanese nationaliteit, verzocht om een EU-verblijfsdocument als partner van een Bulgaarse Unieburger die in Nederland verblijft. Verweerder weigerde dit omdat eiser en referente op essentiële punten tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd, wat duidt op een schijnrelatie bedoeld om verblijfsrecht te verkrijgen.
Eiser maakte bezwaar tegen deze weigering, maar verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond zonder hem te horen. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar niet volledig heeft heroverwogen en onvoldoende heeft gemotiveerd, maar dat dit gebrek niet tot nadeel van eiser leidt.
De rechtbank stelt vast dat de tegenstrijdigheden in verklaringen over belangrijke gebeurtenissen in de relatie (zoals ontmoetingen, zwangerschap en miskraam) onvoldoende zijn opgehelderd en dat de overgelegde bewijsstukken niet overtuigend zijn om een duurzame relatie aan te tonen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van een duurzame relatie en dat eiser geen rechtmatig verblijf als partner van een Unieburger heeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.