ECLI:NL:RBDHA:2022:7116
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering EU-verblijfsdocument en proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hem een EU-verblijfsdocument te verstrekken. Dit bezwaar is bij besluit van 30 maart 2022 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij uit Nederland wordt verwijderd zolang het beroep loopt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het onderliggende beroep (zaaknummer NL22.7487) inmiddels is afgedaan, wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €759,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, en in het door verzoeker betaalde griffierecht van €184,-. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.