Eiser had beroep ingesteld tegen een besluit van 6 april 2021 waarin de staatssecretaris zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling nam, omdat Malta verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en gaf de staatssecretaris gelegenheid dit te herstellen. Vervolgens trok de staatssecretaris het besluit in.
Eiser trok zijn beroep niet in, maar richtte dit nu tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. De rechtbank stelde vast dat eiser geen belang meer had bij het beroep tegen het ingetrokken besluit. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de beslistermijn nog niet was aangevangen omdat Nederland nog niet verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag volgens de Dublinverordening.
De rechtbank verwees naar de relevante artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening en benadrukte dat de beslistermijn pas start wanneer Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling. Omdat dit niet het geval was en de overdrachtstermijn nog liep, was het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
De rechtbank wees eiser een proceskostenvergoeding toe van €1.518,- voor het ingediende beroepschrift en de zitting. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, locatie Arnhem, op 21 juli 2022.