ECLI:NL:RBDHA:2022:7324
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens intrekking beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid als zelfstandige, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 mei 2021 is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om verwijdering uit Nederland te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
Na het ongegrond verklaren van het bezwaar op 14 december 2021 stelde verzoeker beroep in tegen dit bestreden besluit. Tijdens de procedure werd het verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Verweerder diende een verweerschrift in, maar verzoeker trok het beroep op 8 februari 2022 in. Hierdoor verviel de connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en het lopende beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat zonder een lopende beroepsprocedure niet meer voldaan werd aan het vereiste van connexiteit zoals neergelegd in artikel 8:81 Awb Pro. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het beroep.