ECLI:NL:RBDHA:2022:7385
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens niet-erkende onderwijsinstelling bevestigd
Eiseres had een verblijfsvergunning voor studie verkregen via een erkende onderwijsinstelling, de Hogeschool, maar is na het eerste studiejaar gestopt en door de Hogeschool afgemeld. Verweerder heeft daarop de vergunning ingetrokken omdat eiseres niet langer voldeed aan de voorwaarden van de vergunning. Eiseres is daarna begonnen aan een studie bij een andere instelling die echter geen erkend referent is. Zij betoogde dat verweerder eerst een belangenafweging had moeten maken en dat er bijzondere omstandigheden waren die intrekking onevenredig maakten, waaronder haar onwetendheid over de status van de nieuwe instelling en het feit dat deze bezig is erkend referent te worden.
De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid tot intrekking niet ter discussie staat en dat het beleid voorschrijft dat intrekking volgt wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, waaronder studeren aan een erkende referent. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en de omstandigheden van eiseres meegewogen, maar heeft terecht geoordeeld dat het niet op de weg ligt van de overheid om af te wijken van het beleid. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar geen aanleiding gaf tot een ander besluit.
De rechtbank concludeert dat de intrekking op goede gronden is gebaseerd en voldoende is gemotiveerd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning.