AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechter kan dwangsom opleggen bij overschrijding beslistermijn asielaanvraag ondanks Tijdelijke wet
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag van 1 november 2022. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en dat eiser verweerder rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld, waardoor het beroep gegrond is.
De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die sinds 11 juli 2021 van kracht is, verhindert de bestuursrechter om bij overschrijding van de beslistermijn een dwangsom op te leggen. De rechtbank oordeelt echter dat dit in strijd is met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hierdoor is artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet onverbindend voor zover het deze bevoegdheid aan de rechter ontzegt.
De rechtbank draagt verweerder op binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag overschrijding met een maximum van € 7.500,-. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser van € 379,50.
Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling. De uitspraak volgt eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie over het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen trage besluitvorming bij asielaanvragen.
Uitkomst: De bestuursrechter kan een dwangsom opleggen bij overschrijding van de beslistermijn voor asielaanvragen ondanks de Tijdelijke wet.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3388
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 28 februari 2022 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 1 november 2022 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw [1] (asielaanvraag). Eiser heeft het beroep aangevuld bij brieven van 21 april 2022 en 5 juli 2022.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en zijn daarin neergelegde standpunten bij brief van 28 juni 2022 aangevuld.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht om op zitting te worden gehoord, heeft geen van hen binnen de gegeven termijn laten weten van dat recht gebruik te willen maken. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op 11 juli 2020 is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke Wet) in werking getreden. [2] Op grond van artikel 1 vanPro die wet waren de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb [3] niet van toepassing op asielaanvragen. Het was daardoor niet langer mogelijk beroep in te stellen tegen het niet tijdig daarop beslissen.
Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet bepaald dat op besluiten op asielaanvragen de artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn. Artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb wordt daarin niet meer genoemd.
Dit betekent dat het vanaf 11 juli 2021 wel weer mogelijk is om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, maar dat de vreemdeling daarmee niet kan bereiken dat dwangsommen in de zin van de Awb worden verbeurd of worden opgelegd.
Op het beroep van eiser is van toepassing de Tijdelijke wet zoals deze luidt sinds 11 juli 2021.
2. De Afdeling [4] heeft in de uitspraak van 6 juli 2022 [5] artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet, zoals dat luidde van 11 juli 2020 tot 11 juli 2021, onverbindend verklaard voor zover daarin is bepaald dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb niet van toepassing is op besluiten op asielaanvragen. De Afdeling heeft dat gedaan omdat - kort gezegd - een asielzoeker zo geen doeltreffend rechtsmiddel meer heeft om op te komen tegen te trage besluitvorming door verweerder. Daaruit volgt dat als op het beroep artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet - zoals dat luidde van 11 juli 2020 tot 11 juli 2021 - van toepassing is, de bestuursrechter bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag, de staatssecretaris op kan dragen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom kan verbinden op grond van artikel 8:55d en/of artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.
3. Op het beroep van eiser is echter van toepassing de Tijdelijke wet zoals die luidt sinds 11 juli 2021. Eiser kan dus wel beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag. De bestuursrechter is bevoegd daarvan kennis te nemen en kan (als het beroep gegrond is) verweerder opdragen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken. Maar de bestuursrechter kan daaraan geen dwangsom verbinden.
De rechtbank ziet zich nu gesteld voor de vraag of artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet - zoals dat luidt sinds 11 juli 2021 - in strijd is met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 vanPro het Handvest [6] , voor zover daarin de bestuursrechter de mogelijkheid wordt ontzegd aan een gegrond beroep een dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d (of artikel 8:72, zesde lid) van de Awb te verbinden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en vindt voor haar oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. De rechtbank leidt uit die uitspraak namelijk af dat van een doeltreffend rechtsmiddel geen sprake is als slechts beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, maar de bestuursrechter geen mogelijkheid heeft aan de termijn die hij verweerder stelt om (alsnog) een besluit te nemen een dwangsom te verbinden. De rechtbank wijst daarbij op rechtsoverwegingen 7.6, 7.11 en 7.12 van deze uitspraak. Wat verweerder heeft aangevoerd in het verweerschrift en de aanvulling daarop, geeft de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen.
4. Omdat de Tijdelijke wet de rechter in zoverre belet om de aan het Unierecht ontleende rechten doeltreffend te beschermen [7] is artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet, zoals dit luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend voor zover daarin de bestuursrechter de mogelijkheid wordt ontzegd aan overschrijding door verweerder van een gestelde termijn een dwangsom te verbinden. Dit betekent dat de bestuursrechter verweerder op kan dragen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom kan verbinden op grond van artikel 8:55d en/of artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.
5. Voor zover eiser betoogt dat het niet verbeuren van een bestuurlijke dwangsom ook strijd oplevert met het Unierecht faalt dat betoog. Met de enkele verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 22 april 2022 [8] heeft eiser namelijk niet toegelicht waarom de uitsluiting in artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb in strijd is met het Unierecht.
6. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 vanPro de Awb beroep kan worden ingesteld.
7. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
8. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw, voor zover hier van belang, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 vanPro deze wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
9. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken. Verder constateert de rechtbank dat eiser verweerder bij brief van 9 februari 2022 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat hierna meer dan twee weken zijn verstreken. Daarmee is aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voldaan. Het beroep is daarom gegrond.
10. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of als de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
11. Verweerder verzoekt om een beslistermijn op te leggen van 16 weken.
12. In de uitspraak van 8 juli 2020 [9] heeft de Afdeling verweerder gevolgd in diens standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen en volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat aan verweerder in dit geval een termijn van vier weken opgelegd moet worden.
13. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt van € 759,-, bij een wegingsfactor ½).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Staatsblad 2020, 242.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.