ECLI:NL:RBDHA:2022:7456
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van Verblijfsrichtlijn voor familieleden van Unieburger
Eisers, Albanese staatsburgers, verzochten om een verblijfsdocument als familieleden van een Unieburger, hun schoondochter, met wie zij wensen te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat eisers niet konden aantonen dat zij ten laste kwamen van de Unieburger, aangezien zij geen bewijs leverden van noodzakelijke en regelmatige financiële ondersteuning.
Eisers stelden dat zij wel bij de Unieburger in België verbleven en sociaal-economisch afhankelijk waren, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende bewijs hadden geleverd dat zij niet in hun basisbehoeften konden voorzien, noch dat zij daadwerkelijk bij de Unieburger woonden. Getuigenverklaringen waren subjectief en werden niet ondersteund door objectieve bewijsstukken.
De rechtbank concludeerde dat aan eisers geen verblijfsrecht toekomt op grond van de Verblijfsrichtlijn. Tevens werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen in bezwaar terecht was achterwege gelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en zij krijgen geen verblijfsrecht als familieleden van een Unieburger.