ECLI:NL:RBDHA:2022:7513
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na vertrek verzoeker
Verzoeker heeft een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 25 maart 2022 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Beide partijen hebben aangegeven niet bij de zitting te zullen verschijnen. Tijdens de procedure meldde verweerder dat verzoeker met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heeft daarop het onderzoek heropend en partijen gevraagd of zij een nadere zitting wensen, maar geen van beiden heeft hierop gereageerd.
Op 8 juli 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL22.5162). Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is behandeld en verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.