ECLI:NL:RBDHA:2022:7517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juli 2022
Publicatiedatum
25 juli 2022
Zaaknummer
NL21.19300
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris tot proceskostenvergoeding na intrekking asielbesluit

Verzoeker had beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in de verlengde procedure, welke door de staatssecretaris als kennelijk ongegrond was bestreden. Tevens verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 18 mei 2022 verschenen partijen niet. De staatssecretaris trok het bestreden besluit op 17 mei 2022 in en gaf aan opnieuw op de aanvraag te zullen beslissen. Tevens bood hij aan de proceskosten voor het beroep en het verzoek gezamenlijk tot een bedrag van € 759 te vergoeden.

Naar aanleiding hiervan trok verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris gedeeltelijk aan het verzoek tegemoet was gekomen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 379,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: De staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van € 379,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.19300

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL21.19299, op 18 mei 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Bij besluit van 17 mei 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en meegedeeld dat opnieuw op de aanvraag beslist zal worden. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij bereid is de proceskosten voor het beroep en verzoek gezamenlijk tot een bedrag van € 759 te vergoeden.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder (gedeeltelijk) tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759 met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.