ECLI:NL:RBDHA:2022:7525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juli 2022
Publicatiedatum
25 juli 2022
Zaaknummer
NL22.11397
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft een aanvraag tot uitstel van vertrek ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en tevens is een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb, zonder zitting kan worden beslist indien het verzoek kennelijk gegrond is. Verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening omdat hij verzoeker zal horen in de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 759. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11397
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Naam], verzoeker V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.M. Peeters), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: D. Benschop).

Procesverloop

In het besluit van 16 juni 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er concreet uit bestaat dat verzoeker de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Bij brief van 18 juli 2022 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening, omdat hij verzoeker gaat horen in bezwaar. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook als kennelijk gegrond toewijzen en bepalen dat uitzetting wordt verboden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van
€ 759 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.