ECLI:NL:RBDHA:2022:7578
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen inreisverbod na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Eiser, een Braziliaanse nationaliteit houdende persoon, verzocht om een verblijfsvergunning asiel die door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat Brazilië voor hem persoonlijk geen veilig land van herkomst is vanwege bedreigingen en problemen rondom zijn woning, en dat het inreisverbod in strijd is met zijn gezinsleven.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Brazilië voor hem persoonlijk niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. De Braziliaanse autoriteiten hebben volgens de rechtbank adequaat gereageerd en de normale rechtsgang staat open. Daarom is de afwijzing van de verblijfsvergunning terecht.
Echter, de rechtbank vond dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de individuele omstandigheden van eiser bij het opleggen van het inreisverbod, zoals zijn langdurig verblijf in Spanje en zijn gezinsbanden daar. De motivering van verweerder was onvoldoende en te laat aangevoerd. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor zover het het inreisverbod betreft en werd dit deel van het besluit vernietigd.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser. Het besluit blijft verder ongewijzigd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het inreisverbod van twee jaar wordt vernietigd, de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.