ECLI:NL:RBDHA:2022:7586
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende middelen en twijfel terugkeer
Eiser, een Guinese staatsburger, heeft een visum kort verblijf aangevraagd om zijn in Nederland wonende echtgenote te bezoeken. De aanvraag werd door verweerder afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij over voldoende middelen beschikte voor het verblijf en de terugreis, en onvoldoende sociale en economische binding met Guinee had.
Eiser voerde in beroep aan dat hij wel aan de voorwaarden voldeed, onder meer door het overleggen van vliegtickets en het benadrukken van zijn maatschappelijke status als medicijnman. Verweerder stelde echter dat eiser geen bewijs had geleverd van inkomsten of een solvabele garantsteller, aangezien de garantsteller een uitkering ontvangt. Ook werd gewezen op de geldende reisbeperkingen vanwege de coronapandemie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsruimte toekomt en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van zijn binding met Guinee en zijn financiële draagkracht. De garantstelling werd afgewezen omdat de garantsteller niet zelfstandig over voldoende middelen beschikt. De reisbeperkingen waren terecht meegenomen in de beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het visum af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.