ECLI:NL:RBDHA:2022:7642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens schijnrelatie en onjuiste gegevens
Eiseres, met haar minderjarige kinderen, kreeg een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid, die met terugwerkende kracht werd ingetrokken vanwege een schijnrelatie met de referent. Dit volgde op een simultaan gehoor waarin eiseres en referent verklaarden dat hun relatie niet oprecht was. Verweerder baseerde het besluit mede op een digitaal onderzoek en de melding van de beëindiging van de relatie.
Eisers voerden aan dat zij onterecht niet waren geïnformeerd over de aard van het gehoor en dat het een strafrechtelijk verhoor betrof, waardoor zij geen toegang tot een raadsman hadden gekregen, wat in strijd zou zijn met Richtlijn 2013/48. Ook werd aangevoerd dat het opleggen van een inreisverbod onterecht was, mede gezien een lopende aanvraag voor een andere verblijfsvergunning en de toelating van eiseres tot een opleiding.
De rechtbank oordeelde dat het gehoor een vreemdelingenrechtelijke procedure betrof en geen strafrechtelijk verhoor, waardoor de richtlijn niet van toepassing was. Het simultaan gehoor was duidelijk aangekondigd als onderzoek naar de relatie. De intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod waren terecht, mede omdat de omstandigheden na het besluit niet meewegen in de beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.