ECLI:NL:RBDHA:2022:768
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding advocaatkosten na beleidssepot openbare dronkenschap
Verzoeker werd verdacht van openbare dronkenschap en ontving een strafbeschikking waarop hij verzet instelde. De zaak werd meerdere malen aangehouden vanwege de coronapandemie. Uiteindelijk besloot het Openbaar Ministerie de zaak te seponeren op grond van beleidsmatige overwegingen vanwege het tijdsverloop.
Verzoeker vroeg vergoeding van zijn advocaatkosten op grond van artikel 530 Sv Pro. De rechtbank behandelde het verzoek in raadkamer, waarbij verzoeker niet aanwezig was, maar zijn advocaat wel. De officier van justitie betoogde dat geen gronden van billijkheid aanwezig waren voor vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de verdenking van openbare dronkenschap stevig was en dat het sepot een opportuniteitsbeslissing was, geen inhoudelijke vrijspraak. Hierdoor zijn de kosten niet ten onrechte gemaakt. Ook de keuze van verzoeker om verzet in te stellen tegen een relatief lage strafbeschikking speelde mee. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.