ECLI:NL:RBDHA:2022:772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
4 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2544
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op coulance bij pensioenschade na eerdere besluiten

Eiser, die ruim 37 jaar bij Defensie heeft gewerkt, verzocht de minister van Defensie om toepassing van coulance of discretionaire bevoegdheid om pensioenschade te compenseren. Dit verzoek werd afgewezen in het primaire besluit van 13 oktober 2020 en het bezwaar daarop werd ongegrond verklaard bij besluit van 18 februari 2021. Eiser stelde dat een brief van de heer Purmer uit 2006 een nieuw feit vormde, maar de rechtbank oordeelde dat dit feit eerder ingebracht had kunnen worden en daarom niet als nieuw geldt.

De rechtbank stelde vast dat de minister de behandeling van post aan ambtenaren mag uitbesteden en dat de brief van eiser zorgvuldig is behandeld. Eerder waren er al besluiten genomen over de pensioenschade van eiser, waaronder een regeling uit 2006 en een compensatieregeling uit 2008, waartegen geen bezwaar was gemaakt.

De rechtbank volgde de verweerder in zijn standpunt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte dat het aan eiser lag om tijdig tegen de uitvoeringspraktijk op te komen en dat het teleurstellend is, maar niet reden voor coulance.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om coulance bij pensioenschade wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/2544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.E. Lamberti).

Procesverloop

Bij brief van 29 april 2019 heeft eiser de minister van Defensie in persoon verzocht om toepassing van diens discretionaire bevoegdheid/coulance om zodoende bij eiser ontstane pensioenschade ongedaan te maken.
Bij besluit van 13 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om compensatie voor zijn pensioenschade afgewezen.
Bij besluit van 18 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2021.
Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser was ruim 37 jaar werkzaam bij Defensie, laatstelijk tot 1 juni 2008. Op
7 maart 2006 is eiser akkoord gegaan met een regeling waarbij hij met terugwerkende kracht financieel gelijkgesteld werd met de rang van majoor en dat aan hem die financiële rang is toegekend. Bij besluit van 1 december 2008 is aan eiser nog een compensatieregeling toegekend. Tegen deze besluiten heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Eiser is echter pas in 2011 gebleken dat zijn pensioen niet met inachtneming van de regeling wordt berekend.
Eiser heeft in 2015 een procedure gevoerd over pensioenschade. Deze is door de rechtbank bij uitspraak van 6 maart 2019 (zaaknummer 17/8476) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
Eiser heeft zich in een persoonlijke brief van 29 april 2019 tot de minister van Defensie gewend met het verzoek om toepassing van coulance dan wel discretionaire bevoegdheid in het kader van de door hem geleden pensioenschade.
Wat heeft verweerder besloten?
2 Verweerder stelt in het primaire besluit met eiser vast dat er een pensioenknip is toegepast van 10%. Dat was ook het geval geweest als de bevordering niet via een regeling was gelopen. Verder vindt verweerder dat er sprake is van een herhaalde aanvraag van eiser. Daartoe wijst verweerder op het besluit van 8 maart 2006 waarin de regeling is vastgesteld en het besluit van 1 december 2008 waarin een compensatieregeling is getroffen.
In het bestreden besluit stelt verweerder vast dat er meerdere in rechte vaststaande besluiten bestaan over eisers pensioenschade. Eiser voert geen nieuwe feiten of omstandigheden aan waardoor op deze besluiten teruggekomen zou moeten worden. Daarnaast legt verweerder uit dat hoewel eiser de brief aan de minister persoonlijk gericht heeft, het mogelijk is dat deze niet persoonlijk door haar afgedaan werd.
Wat vindt eiser in beroep?
3 Eiser voert -kort samengevat- aan dat het de minister niet toegestaan was om de behandeling van de brief aan haar ambtenaren uit te besteden. Het is juist de kwalijke behandeling van eiser door deze ambtenaren geweest dat eiser de brief persoonlijk aan de minister heeft gericht. De ambtenaren hebben eisers verzoek vervolgens ten onrechte opgevat als een beroep op de hardheidsclausule. Eiser onderkent dat er eerdere besluiten liggen maar hij verzoekt de minister nu juist daarom om toepassing van coulance dan wel discretionaire bevoegdheid.
Daarnaast voert eiser de brief van de heer Purmer van 19 januari 2006 aan als nieuw feit waardoor teruggekomen dient te worden op de eerdere besluiten rondom eisers pensioenschade. De heer Purmer geeft immers duidelijk aan dat de financiële rang van majoor onderdeel uitmaakt van de bezoldiging en als inkomensbestanddeel voor de berekening van het pensioen van kracht is. Deze brief is nog niet eerder betrokken bij eerdere besluiten. Verweerder had eiser bij het afsluiten van de overeenkomst moeten wijzen op de pensioenknip.
Wat is het oordeel van de rechter?
4 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het de minister toegestaan is om aan haar gerichte post uit te besteden aan haar ambtenaren. Het is voor een persoon met een dergelijke functie ondoenlijk om alle aan haar persoonlijk gerichte post te attenderen. Het is de rechtbank overigens niet gebleken dat eisers brief niet zorgvuldig is behandeld.
Evenals in haar voornoemde uitspraak van 6 maart 2019 stelt de rechtbank vast dat verweerder toepassing heeft mogen geven aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser stelt immers wederom zijn pensioenproblematiek aan de orde. In dit geval wijst eiser als nieuw feit naar de toezegging van de heer Purmer van 19 januari 2006. De rechtbank volgt verweerder in het betoog dat deze mail op een eerder moment had kunnen worden ingebracht, waardoor het niet kan gelden als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
Aangezien er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden komt de rechtbank niet toe aan eisers betoog dat toepassing gegeven had moeten worden aan coulance/discretionaire bevoegdheid. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser zeer teleurstellend is dat op een andere wijze uitvoering gegeven wordt aan de overeenkomst dan hij voor ogen had. Het had echter op weg van eiser gelegen om tijdig tegen deze uitvoeringspraktijk op te komen.
Conclusie
5 Het beroep is ongegrond.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.