ECLI:NL:RBDHA:2022:7743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
28 juli 2022
Zaaknummer
C/09/622326 / FA RK 21-8473
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 26 lid 1 sub c Verordening huwelijksvermogensstelselsArt. 820 lid 2 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap zonder gemeenschappelijke verblijfplaats of nationaliteit

De vrouw heeft verzocht tot echtscheiding van de man, met wie zij gehuwd was in Irak in 2020. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de Iraakse. De man heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank oordeelt dat zij rechtsmacht heeft omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft sinds ten minste een jaar voor het verzoek.

Nederlands recht is van toepassing op het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank wijst het verzoek toe omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld volgens de Verordening huwelijksvermogensstelsels. Omdat partijen geen gemeenschappelijke verblijfplaats of nationaliteit hadden, wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het recht van de staat waarmee zij de nauwste band hadden, hier Nederland.

De verdeling houdt in dat ieder van partijen het verschil in banksaldi van eigen bankrekeningen tussen de huwelijksdatum en de datum van ontbinding krijgt, zonder verdere verrekening. Er zijn geen andere goederen die tot de gemeenschap behoren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden door hoger beroep.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken en verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld volgens Nederlands recht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/622326 / FA RK 21-8473
Beschikking d.d. 28 april 2022 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. Moene, gevestigd te 's-Gravenhage,
tegen
[naam 2] ,
zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen de man.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 3 december 2021;
- het betekeningsexploot;
- het F9-formulier van 16 december 2021 van de zijde van de vrouw.
1.2.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2020 te [huwelijksplaats] , Irak. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Iraakse nationaliteit.
2.2.
Scheiding
2.2.1.
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.2.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.2.3.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.2.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.3.
Verdeling
2.3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.
2.3.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.3.3.
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing.
2.3.4
Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.3.5
Nu partijen hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet op het grondgebied van dezelfde staat vestigden en zij op het tijdstip van de huwelijkssluiting geen gemeenschappelijk nationaliteit bezaten, wordt krachtens artikel 26, eerste lid, onder c van de Verordening hun huwelijksvermogensstelsel beheerst door het recht van de staat waarmee partijen samen op het tijdstip van de huwelijkssluiting, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de nauwste band hadden. Het huwelijksvermogensstelsel van partijen is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst verbonden met Nederland.
2.3.6.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de vaststelling van de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] , Irak op
[datum huwelijk] 2020;
3.2.
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan ieder der partijen wordt toegedeeld het verschil in banksaldo per [datum huwelijk] 2020 en de datum ontbinding gemeenschap (zijnde 3 december 2021) van de op eigen naam staande bankrekening(en), zonder nadere verrekening van de saldi;
2. verklaart voor recht dat geen andere goederen tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren;
3.3.
verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. W.G. de Boer, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.C. Gantenbein op 28 april 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.